Wijs en Zonen | Over Wijs en Zonen
156
page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-156,qode-listing-1.0.1,qode-social-login-1.0,qode-news-1.0,qode-quick-links-1.0,qode-restaurant-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1300,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-theme-ver-12.0.1,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.4.2,vc_responsive

WIJ MAKEN THEE VAN KONINKLIJKE KLASSE SEDERT 1792

De Geschiedenis van Wijs en Zonen

Van Hellabaard tot koffie en thee

Aan het adres Warmoesstraat 102 is sinds 1828 de thee- en koffiehandel Wijs en Zonen gevestigd. De firma bestaat dus reeds 150 jaar, doch in hetzelfde pand werden al vanaf 1792 zaken gedaan in deze twee producten en nog vroeger ook elders in de stad, maar toen onder andere firmanamen.

Dit jubileum moge aanleiding zijn aan de historie van de firma en de familie Wijs een beschouwing te wijden.

In de beginjaren van het tweede stadhouderloze tijdperk, dat in Gelderland van 1702-1720 duurde, woonde in Nijmegen een man die als hellebaardier zijn plicht vervulde maar later het vredig kostersambt in de Sint Stevenskerk verkoos boven de Nijmeegse schutterij. Die man heette Cornelis Wijs ; hij was omstreeks 1680 in Nijmegen geboren en stamde af van een aanzienlijk protestants geslacht. In 1705 trad hij in het Betuwse dorpje Valburg in het huwelijk met Hendrikske Vogel. Van hun vier kinderen, die alle in Nijmegen geboren werden, was Jan Cornelis de oudste. Deze nam op 21 april 1734 Anna Catharina van de Pavordt tot vrouw. Zij kregen tien kinderen. De jongste, een zoon, zag op 16 januari 1752 het levenslicht en werd Cornelis genoemd naar zijn grootvader Wijs. Hij verloor zijn moeder toen hij vijf jaar oud was en vier jaar later stierf zijn vader. Blijkbaar had hij al op jonge leeftijd veel ambitie tot de handel. Nauwelijks 16 jaar oud verliet hij zijn geboorteplaats en trok naar Amsterdam. Zijn voorkeur ging uit naar de koloniale waren. De hoofdstad, in die dagen een belangrijk handelscentrum van deze producten, bood hem dus een goede gelegenheid zich in die branche te ontplooien.

In de leer bij Hancock

In april 1768 trad hij in dienst bij Jacobus Hancock om het handelsvak te leren. Hancock was toen 22 jaar oud en had een kruidenierswinkel op Het Water, het tegenwoordige Damrak. Er bevond zich daar toen een zeer smalle kade, die door aanplemping was aangelegd langs ‘De Haven’, de vroegere Amstelmonding. De huizen waren ogenschijnlijk op het water gebouwd want de steiger daarvoor kon men eigenlijk geen kade noemen. De naam heeft zich nog tot in de 19e eeuw gehandhaafd. Jacobus Hancock, nazaat van een oud Engels koopmansgeslacht dat omstreeks 1600 naar Nederland kwam, kocht het huis en de winkel van zijn neef Robertus, op voorwaarde dat hij ‘daarin zou blijven in de stijl en negotie door hem (Robertus) gedaan. Jacobus woonde er van 1765 tot 1783. Heel wat jaren later had Justus van Maurik er zijn sigarenwinkel. Nu is het huis, dat het nummer 100 droeg, opgegaan in een bankgebouw, waarin de gevelsteen van de Hancocks, een hand rustend op een haan, is ingemetseld.

Cornelis Wijs liet zich in de zomer van 1768 inschrijven in de lidmatenregisters der Nederlands Hervormde Kerk. In 1770 kwam ook zijn vier jaar oudere zuster Cornelia naar Amsterdam.

In 1774 ging hij in ondertrouw. Zijn bruid was de twintigjarige Christina Maria ter Swaak, de oudste van drie kinderen die met hun moeder Aleida Machteld le Clercq, sinds twee jaar weduwe van Jan ter Swaak, in de Oudebrugsteeg woonden. Op 21 augustus van genoemd jaar, ’s avonds om 7 uur werd hun huwelijk in de Nieuwe Kerk door ds. Henricus van Herwerden voltrokken. Het jonge paar woonde eerst in de Oudebrugsteeg maar kort daarna op ’t Water bij de Papenbrug. In het najaar van 1775 beviel Christina van haar eerste kind, een jongetje dat de naam kreeg van zijn grootvader van vaderszijde : Jan Cornelis.

De archivaria geven helaas geen opheldering over de manier waarop het echtpaar Wijs in die dagen handel dreef. Wel werd al ernstig aan de toekomst gedacht want in de zomer van 1777, op de 2e juni, brachten beiden een bezoek aan notaris Gerardus Wijthoff, om een en ander in een notariele akte te registreren. Zij verklaarden ‘ door overdenking des doods voorgenomen te hebben om van hunne na te latene goederen bij testament of bij uiterste willen te disponeren’. Bij notaris Wijthoff verscheen op dezelfde dag Aleida le Clercq, de schoonmoeder van Cornelis Wijs. Zij beschikte over ongeveer f 50.000 en benoemde haar drie kinderen alsmede haar schoonzoon tot haar enige en universele erfgenamen.

Firma met schoonmoeder naar Warmoesstraat

Inmiddels breidde het gezin zich uit. Nog acht kinderen werden in het huis op ’t Water geboren van wie er drie zeer jong stierven aan tering en stuipjes. Ze werden in de Noorderkerk begraven voor respectievelijk zes en vijftien gulden.

Op 19 maart 1788 stond Cornelis als koopman vermeld in de Poorterboeken van Amsterdam. Hij ging nu samen met zijn vrouw zijn zaken afdoen en richtte met haar een firma op. Waarschijnlijk stak schoonmama Ter Swaak geld in de zaak. In ieder geval raakte ze er in naam nauw bij betrokken, want het bedrijf ging voortaan heten : Wed J. Ter Swaak en C. Wijs.

De 16e januari 1772, precies op zijn 40e verjaardag, kocht Cornelis op een publieke veiling een ‘Huis en Erve’, staande en gelegen in de Warmoesstraat schuins over de Wijde Kerksteeg’. Koopsom f 15.000. In die tijd een groot bedrag. Hij ging er wonen met zijn gezin ; ook weduwe Ter Swaak nam haar intrek in hetzelfde huis en van nu af aan ging men zich toeleggen op de verkoop van ‘Coffij en Thee’.

Het huis in de Warmoesstaat was 1 roede en 99 ellen groot ( circa 200 vierkante meter) en liep door tot het water. Het was een winkelpand met een woon- en kantoorruimte, kelders en pakzolders en gebouwd op de hoek van de Paternostersteeg, vroeger het Waaigat genaamd. Koffie en thee werden per schip aangevoerd en in magazijnen opgeslagen. Wijs verkocht zijn producten aan talloze kruideniers binnen en buiten de stad ; eerst voornamelijk koffie, later zou thee de eerste plaats innemen.

Nog ruim 10 jaar bleef schoonmama een trouwe hulp en steun voor de firma, maar toen het jaar 1803 pas enkele dagen oud was sloot zij voorgoed de ogen. Op 8 januari werd zij in de Noorderkerk begraven op de eerste klasse voor f 30. Nu volgden er moeilijke jaren. Het volk zuchtte onder de strenge wetten tijdens de Franse overheersing en door het Continentaal Stelsel werd onze handel op zee vrijwel lamgelegd. De gehele Nederlandse buitenvarende vloot viel in handen van de Engelsen. Toch werden nog miljoenen ponden thee rechtstreeks uit China naar onze havens vervoerd. Maar de economische nood verergerde meer en meer. Het huis van Wijs nog nauwelijks de helft van de koopsom waard. Hij had het pand laten taxeren door de makelaars Helmers. Meyer en Kroon, die hadden geoordeeld ‘hetzelve een koopsom van f 8000 waardig te zijn’. Ondanks de slechte tijden wist Wijs zijn zaak in stand te houden. Misschien verkocht hij cichorei in plaats van koffie en profiteerde hij van de smokkelhandel die Lodewijk Napoleon oogluikend toeliet.. Het einde van de Franse bezetting heeft Cornelis echter niet meer beleefd. Hij overleed op 5 november 1808 aan slijmziekte. Vier dagen later gaf men hem in het familiegraf in de Noorderkerk een laatste rustplaats.

Zoon Jan Cornelis en oom Johannes gaan door

Cornelis had zes kinderen. Van zijn vier zoons had er een het ambt van predikant gekozen, twee waren kooplieden in respectievelijk tabak en ijzer, terwijl de oudste, Jan Cornelis, besloot met zijn moeder en haar 17 jaar jongere broer Johannes ter Swaak een compagnonschap aan te gaan, hetgeen notarieel zou worden vastgelegd. Notaris Wijthoff was inmiddels overleden en nu ging Johannes Commelin hun zaken regelen. Hij noemde zich in deze jaren waarin Nederland ‘koninkrijk Holland’ heette, koninklijk notaris en hij ontving het drietal reeds op 30 december van hetzelfde jaar op zijn kantoor aan de Leliegracht. ‘Het zal voor Mejuffrouw Ter Swaak geenszins raadzaam zijn omme dezelve affaire geheel en alleen te continueeren’ stond in het contract. Daarom zijn de gezamenlijke comparanten overeengekomen de zaak voor ‘gemeene Reekening voorttezetten en dieswegens met malkander een Societeit op te rigten, welke niet anders dienen mogen te worden dan tot zaken van commercie en geensints tot enige negotiatien van gelden’. De 1e januari 1809 nam de zaak een aanvang. De firmanaam bleef ongewijzigd : Wed. J.ter Swaak en C. Wijs. Drie jaar later, op 25 januari 1812 stierf Christina Wijs. Ook zij werd begraven in de Noorderkerk in het graf van haar man en haar moeder. Twee maanden voor haar dood, op 2 december 1811, hadden al haar kinderen ten kantore van notaris Commelin ‘vermits eens elks verkregen meerderjarigheid de een ieder hunner competerende Legitieme Portie in hunnes Vaders Nalatenschap’ een bedrag van f 2500 uitgekeerd gekregen en precies veertien maanden na hun moeders overlijden op de 2e februari 1813- nog steeds in de Franse tijd- ontvingen de kinderen opnieuw een som gelds, het zesde part van f 20.000 plus de opbrengst van het huis dat na taxatie nog maar f 4000 bedroeg. Notaris Commelin, die nu tot ‘notaire de l’empereur’ was gepromoveerd, wordt niet moe ambtelijk te blijven zorgen voor de familie Wijs en verwanten, want ook oom Ter Swaak laat bij hem zijn testament maken.

Oom ‘geene bloedverwanten in de opgaande lijn meer in het leven hebbende’ vermaakte zijn geld en goederen aan acht neven en nichten onder wie zes kinderen Wijs. Met zijn neef Cornelis zette hij de zaak voort, nu onder de naam ‘Ter Swaak en Wijs’. In die jaren werd Jan C. Wijs tijdens de kerkeraadsvergadering van 19 maart tot kerkmeester beroepen. Tevens werd hij medelid van de ‘Commissie van Finantie’ en lag het voor de hand dat hij voor het vervullen van die functies de Oude Kerk verkoos. Zijn huis lag er immers slechts enkele passen van verwijderd. Blijkbaar kon hij als zakenman toch niet veel tijd vrijmaken voor zijn kerkelijke bezigheden, want al na twee jaar, op de buitengewone vergadering van donderdag 29 maart 1821, waarbij hijzelf niet aanwezig was, werd van de aftredende leden in ‘eene zeer gepaste wijze en met zegenbede’ afscheid genomen met ‘dankzegging voor hunne veelvuldige gedane diensten en met toebede van den Goddelijken Zegen over hunne personen en betrekkingen’.

Voortaan alleen Wijs

De samenwerking met zijn oom duurde 12 jaar, maar in December 1824 besloten beiden de relatie te doen beeindigen. Op nieuw moest notaris Commelin te hulp komen. Hij was toen weer een gewoon openbaar ambtenaar en legde in een akte vast dat op de laatste dag van het bovengenoemd jaar de tot dusver gevoerde sociëteit zou worden gediscontinueerd, terwijl Johannes ter Swaak zich uit de handel zou terugtrekken. Voortaan dreef Jan Cornelis de zaak geheel voor zijn privé-rekening en ‘alleen te zijnen pericule en risico’. Tevens werd bepaald dat de procuratie van zijn oom met ingang van het volgend jaar zou komen te vervallen. Drie jaren nadien, op de 1e januari 1828 viel de historische beslissing. Toen nam Jan Cornelis zijn zoon Jan Diderik in de zaak op en werd de naam veranderd in ‘Wijs en Zonen’. Vanaf dat tijdstip ging de firma steeds van vader op oudste zoon over. Jan Cornelis overleed twee jaar later op de 1e februari aan een borstkwaal. Ook hij werd begraven in de Noorderkerk. Hij liet een vrouw en zes kinderen na. Het huis werd bij akte van boedelscheiding toebedeeld aan zijn vrouw Elisabeth Hendrika Snethlage, een apothekersdochter, met wie hij meer dan 30 jaren gehuwd was geweest. In presentie van Jan Rijkman en Jan Martinus Steeber werd een inventaris van de inboedel opgemaakt ; de klerk van notaris Commelin schrijft weer vele vellen vol, terwijl de taxatie van de boedel werd opgedragen aan mejuffrouw Elisabeth Keur, substituut-schatster van Amsterdam.

Inboedel

Wanneer wij haar volgen op haar wandeling door huize Wijs, komen wij heel wat fraaie voorwerpen tegen, waarvan de prijs ons nu doet watertanden. Zo schatte juffrouw Keur een mahoniehouten theestoof met koperen bak op een en zes Franse porseleinen pronkkoppen op vier gulden. Een staand horloge in gladhouten kast werd getaxeerd op f 35 ; een albasten pendule en twee albasten bloemvazen onder glazen stolpen werden op f 150 geschat, terwijl een zakhorloge in gouden kast met kristal en haar bewerkt, waaraan een gouden ketting met dito sleuteltje, op een honderd werd gewaardeerd. De heer Wijs bezat een mahoniehouten standaard voor zijn pijpen die hij placht te vullen met tabak uit een met zilver gemonteerd komfoor. Een paar gouden oorringen met diamanten, een vingerring en een doekspeld schatte de juffrouw een tachtig gulden en een gouden knipbeugel benevens een Frans gouden dameshorloge op twaalf gulden. Een gecouleurd roomstel deed dienst bij een kopje koffie, waarbij fijne ronde wafeltjes werden gepresenteerd uit een zilveren oblie- en beschuittrommel, grote keur, wegende honderd en drie lood. Een pracht exemplaar voor f 92,70 genoteerd. Likeur werd geschonken uit een kristallen likeurstel.

Doen we een greep uit de linnenkast dan tellen we 373 servetten, 184 slopen, 112 handdoeken, 103 bed- en 31 tafellakens. De vrouw des huizes was in het bezit van 36 halsdoeken en 36 paar katoenen kousen, een houten pellerine, 4 kanten mutsjes, 60 linnen zakdoeken, 3 boezelaars en 8 japonnen. Aan hemden en broeken geen gebrek! Betje Keur noteerde er 38 en met 3 mantels. 30 rokken en 6 jakjes sloot ze de voornaamste stukken van deze damesgarderobe af.

Ook meneer had er warmpjes bijgezeten : 22 borstrokken, 10 onderbroeken, 6 flanellen hemden. 36 halsdoeken, twee jassen en maar liefst 20 mutsen. Kousen had hij niet veel, slechts zes paar en zijn hoofd werd gesierd door een ronde en een driekanten hoed. Behalve tafels en stoelen, bedden en kasten, glas-, porselein- en aardewerk, tapijten en gordijnen, noteerde juffrouw Keur voor een mangel die op zolder stond met vier rollen en vier doeken tien gulden en het dubbele bedrag voor 50 kleerstokken. Een koelfles, zes karaffen, vier stuks theegoed, een nachtlamp, een optica met prenten en een kienspel, dit alles tezamen taxeerde zij op f 8,-. Twee zilveren mergtrekkers werden op f 6,50 geschat en een zelfde aantal gemakbekkens en een paar kamerpotten op f 6,-. Lijf- en linnengoed was opgeborgen in chiffonnières en kabinetten die elk op nog geen f 25,- werden getaxeerd. Muziek werd gespeeld op een mahoniehouten piano. Juffrouw Keur noteerde het instrument voor niet meer dan tachtig gulden. De inventaris van keuken en kelder waaronder een koperen vijzel, een theestoof, een koperen waterspuit en een geschilderde trap, drie stoven, haakwerk en een muurlantaren stond te boek voor f 32,-.

De waarde van de Nederlandse effecten werd geschat op 106.000 gulden, de buitenlandse fondsen niet meegerekend. Er waren aandelen in ‘diverse plantagien in de Colonie Suriname, obligatien in eene Negotie ten behoeve van planters in de Colonie Essequebo en Demerary’. Verder kansbiljetten. Russische en Amerikaanse fondsen en certificaten in Napolitaanse lires. Het totaal deelbaar gestelde kapitaal vertegenwoordigde een waarde van maar liefst f 180.000. Aangezien alle ontvangsten en uitgaven gewoonlijk over de kassa van het kantoor liepen, was slechts in de boedel bij het overlijden van Jan Cornelis Wijs in contanten een bedrag voorhanden van twaalf gulden …. Nadat alles was opgeschreven verklaarde de schatster niets te hebben verzwegen, achtergehouden of weggevoerd een ook niet geweten of gezien te hebben dat er iets zou zijn verzwegen of ontvreemd.

Jan Diderik maakt Javathee nog mee.

Mevrouw de weduwe Elizabeth Wijs verloor haar oudste zoon Jan Diderik in 1844. Deze is getuige geweest van een belangrijke gebeurtenis op het gebied van de theehandel. Tot nu toe had hij bijna uitsluitend Chineese thee verkocht, maar in het 1826 werden enkele theeplanten uit China overgebracht naar Java, die met zeer veel moeite in het voormalige Nederlands-Indie werden gekweekt. In Nederland heeft een commissie van deskundigen het nieuwe product onderzocht en diende in 1835 een rapport in. In Indie ging men inmiddels ijverig voort en nog voor het rapport geheel was bestudeerd, kwamen er 200 kisten thee uit Indie met het fregatschip ‘Algiers’ in Amsterdam aan. Ze werden op 19 november 1835 door de Nederlandsche Handelmaatschappij in veiling verkocht.

Aangezien Jan Diderik vier dochters naliet zette zijn broer Cornelis het bedrijf voort maar deze verhuisde kort daarop naar Harderwijk. Na de dood van zijn moeder in 1861 werd hij als enige overlevende van het gezin geen eigenaar van het winkelpand : krachtens haar uiterste wil had Elizabeth Wijs bepaald dat het huis zou worden overgenomen door haar schoonzoon Derk Pas, zulks wegens het verkwistend gedrag van Cornelis, die overigens wel erfgenaam van zijn moeder zou blijven. Derk Pas werd voor f 12.000 eigenaar van het perceel.

Bij de overname was niet inbegrepen het meubilair en alles wat niet aard-, spijker-, muur- of nagelvast was. Derks schoonmoeder vermaakte hem nog f 2000 als dankbare erkentenis voor de vele door hem aan haar belangeloos bewezen diensten. Hij was nu in het bezit van een groot huis, dat behalve uit winkel, kantoor en opslagruimten uit zeven kamers bestond, waaronder een zaal voor ontvangsten en festiviteiten. Er was een voor- en een achterhuis, gescheiden door een binnenplaats. Een deur in de Paternostersteeg gaf toegang tot het achterhuis, dat eertijds op ‘Het Water’ was gebouwd, maar later op het droge kwam te staan nadat in 1883 het water op die plaats was gedempt voor de bouw van de koopmansbeurs. Zo ontstond de Beursstraat en verloor het huis de mogelijkheid van het lossen van ladingen thee of koffie vanuit het schip. Die kwamen nu via de Warmoesstraat naar binnen.

Derk Pas had als nieuwe huiseigenaar met al deze zaken niets van doen. Hij was apotheker van beroep : zijn winkel en woonhuis stonden niet ver van die van Wijs, waar zijn zoon Dirk kantoorbediende was. Koopman in thee en koffie was nu Otto Wijs, oudste zoon en een van de veertien kinderen van de destijds naar Harderwijk verhuisde Cornelis, die zijn grote kinderschaar uit twee huwelijke geboren zag worden. Otto, die reeds jarenlang de belangen van zijn vader en het bedrijf behartigde, bracht in die dagen de firma tot grote bloei. Hij was internationaal georienteerd, maar stierf vrij jong, 55 jaren oud in 1889. Opnieuw stond een oudste zoon paraat om thee en koffie te verkopen. Hij luisterde naar de naam Doedo, vernoemd naar zijn moeder Doedone Lamberts. Doedo nam Simon Gorter in de zaak op, een boekhouder afkomstig uit de stad Groningen.

Pand opnieuw in handen van Wijs

Het huis blijft eigendom van de familie Pas tot 1898 en gaat dan over in handen van Doedo, zijn broer Jan Cornelis en Simon Gorter, Jan Cornelis, die een uitnemend theeproever was, reist in 1903 naar Berlijn en richt daar een zelfstandig bedrijf op, een handelskantoor dat zich uitsluitend bezighoudt met de verkoop van thee, die -hoe kan het ook anders- van Wijs uit Amsterdam wordt betrokken.

Omstreeks 1910 verhuist Doedo met zijn gezin naar de Sarphatistraat en het winkelpand is vanaf die tijd niet meer als woonhuis in gebruik geweest. Na de Eerste Wereldoorlog, in 1919, wordt Wijs een N.V. De directie bestaat dan uit Doedo Wijs en H.J. Hendriksen. Deze laatste was reeds vele jaren bij de firma in dienst.

In 1938 ondergaat het huis aan de zijde van de Beursstraat een grondige verbouwing waarbij de zij-ingang verdwijnt. Wijs verhuurt het pand aan enkele kantoren en voorziet de binnenplaats van een overkapping. Sindsdien is er nauwelijks meer iets veranderd. Directeur Hendriksen overlijdt in 1944. Vanaf dat jaar tot nu toe is de leiding in handen zijn zoon, wiens grote verdienste het is geweest de manier waarop hij tijdens de laatste oorlogsjaren de zaak drijvende wist te houden met de verkoop van ‘echte’ thee bij mondjesmaat en redelijk goede koffiesurrogaten.

Na de oorlog raken magazijn en winkel langzamerhand gevuld met balen en kisten voorzien van velerlei soorten thee en koffie. Van beide producten wordt nu ongeveer evenveel verkocht ; de schaal slaat dus niet meer door naar de thee zoals vroeger het geval was. In 1958 wordt aan de firma het predikaat Hofleverancier verleend. Het veelkleurige schild boven de winkeldeur blinkt u al van verre tegen in de wat grauwe Warmoesstraat.

Het heden anno 1978

Wanneer u nu de winkel binnenstapt komt een geurig aroma u tegemoet. Bij Wijs komt de koffie sinds 1950 uit eigen branderij (gevestigd aan de Prinsengracht 153 ). De bonen rollen uit de grote rode silo’s die achter de toonbank staan. Licht- en donkerbruine bonen, bij zwart af, al gelang naar uw smaak. Bovenop de ouderwetse kast staan hoge metalen bontgekleurde bussen waarin vroeger de thee uit China werd bewaard. Een enorme handkoffiemolen prijkt ergens in een hoek. De winkel en het magazijn ademen nog de 19e-eeuwse sfeer. Er wordt nu ook suiker en kandij verkocht en naast de talloze soorten thee, los of in pakjes verkrijgbaar, kunt u sinds kort kennis maken met een groot assortiment gearomatiseerde thee met de smaak van onder andere bananen, kersen, aardbeien, vanille, krenten en rum. Maar dat is dan ook wel het enige moderne snufje!

Niet onvermeld mag blijven dat op het kantoor boven de winkel de directeur zijn werkzaamheden verricht te midden van het personeel ; een traditie die zolang de zaak bestaat, in ere wordt gehouden. Enkele jaren geleden is de firma een b.v. geworden. De zoon van de ‘Berlijnse Wijs’ is de enige en laatste nog in leven zijnde twijg aan de thee- en koffiestamboom. Het beleid wordt nu al vele jaren niet meer door Wijs gevoerd, maar aan wijs beleid zal het de firma in de komende jaren zeker niet ontbreken.